Columns

Kees Wortel geeft zijn visie op de recessie en andere zaken.

————————————————————————————————————–
————————————————————————————————————–

HUISELIJK LEVEN

Op bepaalde zaken rust geen zegen. Die gaan niet voorspoedig. Het gaat sommige branches niet voor de wind.
Neem nou makelaars en notarissen; die maken moeilijke tijden door. Zou het onderstaande daar debet aan kunnen zijn?
Ik sprak laatst een niet al te vrolijke huizenmakelaar. Hij vertelde met vermoeide en droeve stem onderstaande anekdote. Ik moet u dit vermakelijke verhaaltje verellen.
Die makelaar, zo had hij mij toevertrouwd, wilde een jonge vrouw een huis verkopen. Vol vuur bescheef hij de verukkingen van het bezit van een eigen home.

‘Een huis!’ riep zij. ‘Een huis? Wat moet ik met een huis? Ik ben geboren in een ziekenhuis, opgevoed op een internaat, gekust in een auto, getrouwd in een kerk. Mijn eten komt van de bezorgzaken en zit in cellofaan. Ik verplaats mijzelf in een sportwagen en rijd daarmee naar vrienden en vriendinnen en race met die wagen waarheen ik wil.De ochtenden breng ik door op de tennisbaan, mijn middagen aan de bridgetafel en mijn avonden in de schouwburg of bioscoop. En als ik sterf, zorgt de begrafenisonderneming ervoor dat ik in een kist terechtkom. Alles wat ik nodig heb is een garage.’

Toen was de ongelukkige mij huilend om de nek gevallen en na een minuut snikte de huizenverkoper: ‘De handel is dood. Ik ga me bezuipen. Ik zoek troost in de drank. Drink met mij mee, vriend. Ik betaal alle drankjes.’ En hij wenkte de barkeeper en riep nu luid: ‘We stoppen met drinken! We gaan nu zuipen! Treuzel niet maat, anders loop je een drankachterstand op en die loop je niet snel in!’

Nu, dat liet ik mij geen twee maal zeggen.

——————————————————————–

WAAROM KLAGEN?

Allerlei kleine en grote rampen hebben Nederland de laatste tijd getroffen. Crisissen, duinbranden,faillissementen, ontslagen, moordpartijen,enzovoort.
Laatst liep ik Rob M. een zogenaamde kroegvriend tegen het lijf, dat is een man die altijd beweert dat mede door de huidige crisis de armen steeds armer en de rijken steeds rijker worden; dat we steeds minder te besteden hebben en dat alles zo duur en dus onbetaalbaar is geworden. Toen ik over het weer begon zei hij meteen dat de zomers steeds kouder en natter werden. Dat kwam volgens hem door de grote multinationals.
Ik geloof dat eigenlijk niet. Dat wil zeggen die multinationals schijnen echt te bestaan, maar dat de zomers steeds natter en kouder worden geloof ik niet. Je hoeft, om dat soort beweringen te weerleggen, helemaal geen onderzoek te doen naar de weersgesteldheid van 1883 of het inkomen van de bijstandsmoeders in 1783. Je moet gewoon naar die klachten zelf kijken, en dan blijken ze van alle tijden te zijn.

Hoe vaak heb ik leraren al niet horen zeggen dat scholieren de laatste twintig, dertig jaar steeds dommer en onbeschaafder zijn geworden. Ik heb de volgende steekproef genomen. Ik heb gekeken wat de mensen van dit soort dingen zeiden in vroeger eeuwen, en ik heb van de laatste twintig eeuwen telkens het jaar drieëntachtig genomen. Maar volsta met twee voorbeelden. Als je het jaar 383 neemt dan zie je dat in dat jaar de heilige Augustinus zijn leraarschap prijsgaf omdat de losbandiheid en de stompzinnigheid van de studenten hem te veel werden.
Nou sla ik voor het gemak een aantal eeuwen over. In 1683 schreef een Italiaanse auteur, dat het wel zeker was dat het in Italië steeds kouder werd. Als het waar was dat wat die Italiaanse schrijver beweert, dan zou Italië onderhand de temperatuur van Groenland moeten hebben. En als scholieren steeds dommer werden, dan zouden we een paar jaar nodig hebben om ze het alfabet te leren. En als de armen inderdaad steeds armer werden, dan zou het inkomen van werknemers intussen geslonken zijn tot enkele eurocenten ’s jaars.

——————————————————————–

HOE VERTEL IK HET MIJN KIND?

Wat ik nu ga vertellen is alleen maar van belang als u kleine kinderen heeft. En dat die weetgrage kleintjes graag willen weten waarom u op uw uitgaven bezuinigt, bijvoorbeeld op het te verstrekken zakgeld en waarom u de boodschappen tegenwoordig bij de Liddle haalt . Dan zegt u tegen uw lieve kinderen dat dat komt door de crisis. Zij zullen dan vragen wat een crisis is. Het is niet eenvoudig om deze bombastische term uit te leggen, zeker als dat kind moeilijk leert. U zou dan het volgende verhaaltje kunnen vertellen. Uit eigen ervaring kan ik niet oordelen of mijn uitleg duidelijkheid verschaft, want ikzelf heb geen kleine kinderen.

U geeft als antwoord dat de recessie te vergelijken is met een hondje. Een hondje dat eenzaam door de Sahara holt. Waar zijn blikken ook gaan; overal zand, droog zand. En dat trouwe viervoetertje loopt naar rechts, naar links, naar voren, weer terug: zand, alleen maar zand.
Het diertje zucht na verloop van tijd: ‘Als ik nu niet gauw een boompje vind, knapt mijn blaas.’

En zo zie ik de tijd van slapte en werkloosheid.

Als uw kroost niet weet wat een ‘Sahara’ is, dan vervangt u dat woord door ‘woestijn’.
En als zij niet geleerd hebben wat een woestijn is, dan raad ik u aan om beter onderwijs voor hen te zoeken.

——————————————————————–

HUIZENMARKT INGESTORT

Laatst wandelde ik weer eens in mijn geboortestad Alkmaar door een wijk met van die huizen uit 1930. Dat zijn van die mooie herenhuizen met erkers. Na de oorlog werden geen erkerwoningen meer gebouwd. Men streefde naar een architectuur die was gebaseerd op eenvoud. Architectuur moest vooral niet opvallen. Die erkers werden door de ‘Delftse school’ verboden! Je mag in Nederland zeggen wat je wil, schrijven wat je wil, de godsdienst belijden die je wil, denken wat je wil, stemmen op wie je wil, schilderen en componeren wat je wil, maar bouwen wat je wil is verboden. Maar goed, daar wil ik het niet over hebben.

Ik liep door die wijk en de zon scheen heel helder. En opeens zag ik dat er aan enkele van die mooie huizen affiches hingen met grote letters: te koop. Dat komt allemaal, heb ik me laten vertellen, omdat de huizenmarkt in elkaar aan het storten is. Die huizenmarkt is jarenlang een soort windhandel geweest. Het ging als volgt. Een sociaal werker of leraar geschiedenis ging trouwen en kocht een huis. Hij nam op dat huis uiteraard een hypotheek. Tegen de tijd dat hij wat meer verdiende en wat kinderen had gekregen kocht hij een groter huis weer met een hypotheek. Dat grotere en duurdere huis kon hij best betalen, want zijn oude huis was intussen stevig in prijs gestegen. Een paar jaar later deed hij die hele operatie nog een keer, zodat hij zonder veel moeite in steeds grotere en duurdere huizen kwam te wonen. Het huis was een uitstekende geldbelegging, want je kon er zeker van zijn dat de prijs van je huis veel sneller zou stijgen dan de geldontwaarding.

Zoals dat met windhandel gaat: eens komt er een eind aan. En nu gaat het mis, en overal staan huizen te koop, die niemand kopen wil. Het akeligst zijn die sociale werkers en die geschiedenisleraren eraan toe die vlak voor de crisis een nieuw en zeer duur huis hebben gekocht in het vertrouwen dat ze hun oude huis voor veel geld van de hand konden doen. En nu kunnen ze dat oude huis opeens aan de straatstenen niet kwijt. En zitten ze in plaats van met één zware hypotheek met twee zware hypotheken. Van hun salaris blijft na het aflossen van die hypotheken weinig over om van te leven. Ze moeten hun kleren kopen bij het Leger des Heils of de kringloopwinkel. Het gebruik van wijnen en gedestilleerd hebben zij tot het uiterste minimum moeten inkrimpen. Ze eten nog net geen hondenbrood. Die sociaalwerkers en geschiedenisleraren zijn de nieuwe gehakteters geworden.

Ze zijn het slachtoffer geworden van het ineenstorten van de huizenmarkt door de crisis.
Als u enig geld hebt opgespaard en u wilt daarvoor een huis kopen, dan moet u dat nu nog niet doen.
Als de huizenmarkt verder ineenstort kan het natuurlijk zijn dat een huis van 250.000 euro dat nu voor 210.000 euro te koop is over twee jaar al uw eigendom is voor 150.000 euro. In dat geval kunt u beter twee jaar wachten.

——————————————————————–

ZUINIG

Sinds de recessie leef ik sober!
Ik houd de hand op de knip. Ik bezuinig op allerlei zaken. Ik doe het licht achter mij uit als ik een kamer verlaat, zet de thermostaat enkele graden lager en trek een warme trui aan en werk bij kaarslicht. Ik doe de gordijnen dicht en draai de radiator toe in kamers waar ik niet kom. In de keuken staat – ie uit, want als ik kook dan wordt het ook warm. Ik ben gestopt met roken en drinken. Ik pak wat meer de fiets en schaf levensmiddelen aan die op het onderste schap liggen. Ook eet ik iets voordat ik naar de super ga om geen hongergevoel te hebben. Zo kom ik niet in de verleiding iets extra’s te kopen. Het scheelt alles bij elkaar veel geld, dat kan ik u verzekeren!

Herkent u dit? Kunt u eveneens geen veer van de mond blazen? Dan zult u spaarzaam moeten zijn wanneer u praktisch geen financiële middelen heeft. Misschien kunt u uw voordeel doen u met mijn tips. Wat denkt u van het volgende?
Dat de Nederlander over het algemeen zuinig van aard is, weten u en ik. Van de Schotten kunnen wij écht leren wat zuinigheid is!
Leest u maar:

1) Als u in Engeland nog een keertje om een beetje suiker vraagt, dan vist de gastvrouw een klontje uit het suikerpotje.

In Ierland geeft ze u het potje en vraagt ze of u zich maar wilt bedienen.

Zegt u in Schotland dat de thee niet zoet genoeg is, dan zegt de huisvrouw zacht maar besist: ‘Hebt u wel goed geroerd?’

2) Een Engelsman, een Ier en een Schot zullen samen een picknick houden. Ieder van hen zal iets meenemen.

‘Ik breng een kilo fijne biefstuk mee,’ zegt de Engelsman.

‘Ik neem een mandje heerlijk gebak mee,’ zegt de Ier.

‘En ik neem mijn broer mee,’ zegt de Schot.

——————————————————————–

HEBBEN WIJ HET ECHT ZO SLECHT?

Er zijn in Nederland – zo beweren veel pessimisten – veel te veel arbeidsongeschikten, werklozen, bijstandsmoeders en uitkeringstrekkers. Ook beweren deze lieden dat alles te duur is. Kortom ze hebben geen erg hoge dunk van onszelf en ons land.

Ik kwam nog weleens in Rusland. Onze tolken waren Russiche studenten. Eén van hen, Rustain, die zo goed als foutloos Nederlands sprak, logeerde weleens bij kennissen ergens in Amsterdam. Deze kennissen lieten Rustain veel van ons land zien en zo kwam hij daarover veel aan de weet. Het verraste mij dat hij zo gunstig over Nederland praatte. Allerlei dingen die wij heel gewoon vinden, vond hij wonderbaarlijk. Hij vertelde dat hij een Nederlander had zien vissen, de vissen niet mee naar huis nam, maar weer in het water gooide. Voor een Rus is dat het toppunt van welvaart en luxe.

Rustain verbaasde zich over onze huizen. Nederland staat vol met huizen die tientallen, ja soms honderden jaren oud zijn, en al die huizen staan erbij als nieuw. Onze Russische tolk raakte niet uitgepraat over onze snelwegen, waar hij tot zijn grote verbazing geluidsmuren zag om de omwonenden te beschermen tegen het geraas van het verkeer. En die muren waren allemaal verschillend, en allemaal even mooi. en dat die Hollanders dan ook nog zo bezorgd zijn voor de omwonenden en daarom die geluidswallen hebben geplaatst. Hij was ook stomverbaasd over de goede staat van de wegen, want in Rusland zijn haast geen goede wegen.

Heel geestdriftig sprak Rustain over de vele winkels, dat alles je kunt kopen: kleren, schoenen, computers, televisies, te kust en te keur. En dat er geen rijen voor die winkels staan. Veel elektronica is in Moskou onbetaalbaar. Hij vond het fantastisch dat alle winkels dicht bij elkaar staan, zodat boodschappen doen je niet een gehele dag in beslag neemt.

Ongelofelijke vond hij de verwarming in het huis waar hij logeerde: zijn flat waar hij met zijn familie woonde had centrale verwarming, maar geen radiatoren. Veel flats in Moskou hadden wel degelijk radiatoren, er zaten alleen geen kranen aan zodat je zo’n radiator niet uit kon draaien. Dat was ook niet nodig zo deelde Rustain ons mee, want als het vroor, kwam de kamertemperatuur zelden boven de vijftien graden uit.

Het leukste zo vertelde hij enthousiast, was dat je in Nederland voor relatief weinig geld uitstekend bier kon drinken dat niet naar pis smaakte.

Dus zo slecht is het niet met ons landje gesteld, maar of dat een goede bewering is, weet ik niet.

——————————————————————-

RUSTAIN

Ik schreef over onze Russische tolk Rustain, die zo positief over Nederland sprak. Zo vertelde Rustain dat Nederlanders de vissen die ze gevangen hadden, weer in het water gooiden. Terwijl Nederlanders zo graag vis eten. Vol lof sprak hij over ons wegennet en het trof hem dat langs stukken snelweg de Nederlanders geluidswallen hadden aangebracht. Hij had genoten van het lekkere bier dat niet naar pis smaakte.

Ik heb in Rusland met een busje gereden en dat busje was volgestouwd met instrumenten, waaronder mijn drumstel. Zo reden we – een tweede busje was volgeladen met versterkers – over zeer slecht geasfalteerde wegen, waar vrijwel geen enkel onderhoud aan leek te worden gepleegd. Je moest vlak voor je op de weg kijken om alert te kunnen reageren op kuilen, hobbels en loslopende dieren. De auto’s die er reden, waren gemiddeld acht jaar oud. En die Russen reden als gekken. Veel auto’s reden zonder ruitenwissers, omdat die anders werden gestolen. Het was opvallend hoeveel auto’s met een lekke band langs de weg stonden. We zagen dat een Russische chauffeur het complete onderstel van zijn Lada aan flenters reed, omdat van een put de putdeksel ontbrak. Ook kwam een auto zo hard de bocht door dat van een voorwiel de band eraf liep.

We traden eens op in het park bij de Petrus en Paulusvesting in Petersburg. Na afloop vertrouwde Rustain mij toe dat hij drums speelt in een rockbandje. Hij bewonderde mijn drumstel. Zo’n mooi slagwerk had hij nog nooit gezien. Rustain legde uit dat het bijna onmogelijk is om aan een goed instrument te komen. Drumstellen werden daarom zelf gemaakt. Drumstokken sneed de studenttolk Nederlands zelf uit boomtakken, want goede vellen en stokken waren nauwelijks te krijgen. Bovendien waren die van zeer slechte kwaliteit. Contacten met bevriende muzikanten in het westen was de enige mogelijkheid om een goed instrument te bemachtigen. Uit aardigheid gaf ik Rustain drie paar drumsticks, nog in plastic verpakking en een gloednieuw snaredrumvel.

Ik vertel deze geschiedenis, omdat wij door de crisis de broekriem moeten aanhalen, omdat wij, bij wijze van spreken, niet weten hoe we voor onze kinderen de nieuwe Nikeschoenen of een mountainbike moeten betalen. Rustain zou beslist jaloers op ons zijn. Want wij zullen met minder moeten gaan doen, inderdaad, maar dat is nog altijd meer dan Rustain ooit zal bezitten.

——————————————————————–

DAVID GOLOSHOKIN

 David, hier met haar

Hoe woont de beroemdste Russische saxofonist?

Eigenlijk zijn van de stad Moskou het Rode Plein en de Arbat – de Moskouse Kalverstraat, interessant om te bezoeken. Je kunt op dat plein de St.-Basiliuskathedraal, het mausoleum van Lenin en het Kremlin bezichtigen. Je kunt ook het Goem, het grootste warenhuis van Moskou, binnenwandelen om er iets te kopen. De eerste keer dat ik door het Goem doolde, kon ik er amper iets kopen. Ik had bijvoorbeeld een toneelkijker of een kinderwagen kunnen kopen. Er stonden tientallen kinderwagens te koop, alle van hetzelfde model in de kleuren roze of blauw. Op straat naast het Goem werden dezelfde kinderwagens verkocht, maar voor de helft van de prijs. Rustain, onze tolk, legde uit dat die kinderwagens waren gestolen uit datzelfde grote warenhuis.

Het viel mij op, zodra ik een stuk van het Rode Plein was geraakt, ik veel brede straten met grote en hoge huizenblokken zag. Die huizenblokken leken door één en dezelfde architect te zijn ontworpen. Al die woonblokken waren grijs en grauw. In een van die kolossale huizenblokken woonde David Goloshokin, een beroemde Russiche saxofonist en eigenaar van de grootste jazzclub in Petersburg. In die jazzclub van hem ging ik met de band drie keer optreden.

Op een avond reden Rustain en ik met het busje over een twaalfbaansweg naar David om een CD op te halen. Ik had die CD, waarop onze muziek te beluisteren valt, vanuit Nederland opgestuurd naar deze beroemde Russische saxofonist. We passeerden minutenlang massieve, vreugdeloze flatwoningen, pompeuze overheidsgebouwen en spelonkachtige winkels.We reden over een brug over de Moskva. Rustain en ik zagen in de verte de sierlijke lijnen van het Kremlin en de gouden koepels van zijn kerken.

Het was niet eenvoudig om de flatwoning van David te vinden. Rustain dacht zijn flat gevonden te hebben, maar deze bleek enkele blokken verder te liggen. We reden een brede straat in. Op het wegdek lagen verschillende mensen hun roes uit te slapen. Anderen hingen tegen verveloze vensterbanken of muren van benedenwoningen. Ik stuurde het busje behoedzaam langs de uitgetelde Russen. Achter een getraliede deur brandde een tl- buis. We konden zien dat in de ruimte achter het hekwerk drank werd verkocht. Rustain loodste mij met veel gezucht, gesteun en Russische godvers naar het adres van David Goloshokin.

Ik liep met Rustain mee door een donker portaal van een woonblok, dat uikwam op de binnenplaats. Ik keek omhoog naar de gevels met acht verdiepingen. De étages verkeerden in zeer slechte staat van onderhoud. Ik zag verfbladderende kozijnen, scheefhangende deuren en veel onkruid tussen tegels. Met enige moeite vonden we het trappenhuis van het blok waar David woonde. Het was er zo donker, dat we op de tast de stenen trappen moesten beklimmen. Het stonk er naar urine.

Ik hoop voor u dat u niet in zo’n wijk woont!

——————————————————————–
DAVID GOLOSHOKIN 2

Rustain en ik waren dus in het donkere trappenhuis geraakt van het blok waar David woonde. Op de tast klommen we de stenen trappen op. We ontdekten op een zeker moment zijn naambordje op een voordeur. We stonden ons voor een stalen voordeur. In het zwakke schijnsel van de aansteker ontdekten we een deurbel, die het niet deed. Rustain gaf een trap tegen de gepantserde deur. Dat hielp, want bijna gelijktijdig opende David twee deuren: de eigenlijke voordeur en de stalendeur.

De saxofoonspeler zag dat ik verbaasd naar die deuren keek.

‘Yez , yezz, thatz for zie criminality’, zei hij.

Ik liep achter Rustain een kort gangetje in dat werd verlicht door een akelig fel schijnend peertje. Links was een geopende deur. In het midden van dat gangetje leunde een bruin gevernist tafeltje tegen de muur dat behangen was met vaalgeel gestreept behang. Op dat gammele tafeltje stond een zwarte bakelieten telefoon. Daar boven hing een ingelijste foto van de beroemde saxofonist. Die foto moest lang geleden zijn genomen, want op deze afbeelding had de muzikant nog een behoorlijke haardos. Tegenover die foto aan de andere muur, tussen twee gesloten deuren, hing een geborduurd wandkleedje. Uit de geopende deur kwam een vrouw aangesneld, die door David werd voorgesteld als zijn echtgenote. Hij gebood ons in het gangetje te blijven wachten en verdween eveneens door de geopende deur.

Ik gluurde door de deuropening in een kamer. De gordijnen waren dichtgeschoven. Ik zag in het schemerlicht een donkerbruin gefineerd wandmeubeltje met daarin een televisietoestel, dat een of ander programma uitzond. Op het meubeltje stonden enkele Slavische klederdrachtpoppetjes en nog wat andere voortbrengselen van Oosteuropese volkskunst. Voor het wandkastje stond een laag tafeltje met een vaasje bloemen en daarnaast lag een asbak. Ik zag nog net de gepantoffelde voeten van de vrouw van David, die blijkbaar televisie keek. Aan de andere kant van de kamer naast de gesloten groene gordijnen, stond David gebukt om iets uit een eveneens donkerbruin gefineerd laag kastje te pakken. Het kastje had twee deurtjes waarvan er één open stond. Hij sloot voorzichtig het deurtje en draaide zich om. Ik trok snel mijn hoofd terug.

‘Here iz zie CD. Itz zoundz very well. I like it. Itz kood’, sprak hij gehaast.

Iets beviel mij niet in hem. In de jazzclub voelt hij zich een hele Piet, maar in deze armoedige en kleine flatwoning leek hij zich te schamen. Hij wilde ons snel weg hebben. Ik gaf Rustain een sein om naar buiten te gaan. In het donkere trappenhuis hoorden we hoe de beroemde koperblazer en eigenaar van de grootste jazzclub van Petersburg zorgvuldig beide deuren afsloot.

Reist u eens naar Moskou. Dan kunt u er zichzelf van gaan overtuigen dat veel Moskovieten op dergelijke wijze wonen. Dan hebben wij het nog niet zo slecht.

——————————————————————–

BOERENLEVEN

Maakt u weleens iets mee? Ik hoop alleen dat wat u meemaakt, u daar aardigheid in hebt. Ik beleef ook veel, maar maak weinig mee. Echter enige tijd geleden overkwam mij het onderstaande.

Ik stopte eens op een avond met mijn auto voor een eenzame boerderij in het oosten van het land en vroeg de boer of ik er de nacht kon doorbrengen. Ik kwam met hem in gesprek. Op een gegeven moment vroeg ik de gastvrije boerderijhouder of hij genoeg geld verdiende om dit bedrijf in stand te houden. De landbouwer wees op zijn enige arbeider die op de bank voor het huis zat.

‘Kijk, hij werkt voor mij. Maar eigenlijk kan ik hem niet betalen. Na twee jaar heeft hij zoveel verdient dat hij de boerderij van mij overneemt. Dan werk ik voor hem. Tot ik na twee jaar de boerendoening van hem weer terugkoop’.

—————————————————————————————————–

DOE MAAR GEWOON

Iemand vertelde mij dat naarmate je ouder wordt, je het leven minder leuk gaat vinden en dat je daarom geneigd bent álles minder leuk te vinden. Of dat waar is, weet ik niet. Als u om het volgende kunt lachen, bent u beslist jong van geest!

Een zakenman heeft zich een grote bungalow laten bouwen in Bergen aan Zee. Ik sprak laatst een kennis van die zakenman. Die kennis heet Bart en die zakenman Dirk.
Dirk had Bart uitgenodigd om zijn villa te komen bekijken. Hier het verhaal van dat bezoek:

Bart belt aan en zijn vriend Dirk opent de massieve voordeur en Bart zegt: ‘Dirk, daar ben ik’.
Dirk legt zijn wijsvinger op zijn lippen en zegt: ‘Bart, mot je luisteren, we kennen elkaar al jaren, maar je weet, ik ben een man in bonus geworden en er is veel veranderd, die naam Dirk mot je vergeten… ik heet nou Menno’.
‘Mij een zorg’, en Bart haalt zijn schouders op.

‘Ga nou mee naar binnen’. Menno neemt Bart bij zijn arm, ‘zal ik je mijn optrekje laten zien en moet je horen hoe ik hier leef, ik doe praktisch niets meer… ’s Morgens ontbijt ik en dan ga ik lekker op m’n terras leggen en hier heb je de bibliotheek; daar ga ik voordat ik ga lunchen wat lezen en als ik geluncht heb, leg ik de hele middag weer op m’n terras. Dan ga ik ’s avonds voor het diner een borreltje drinken; hier zie je de bar… en hier is de salon, daar diner ik en daarna ga ik weer lekker ’s avonds op m’n terras leggen’.

De volgende dag komt Bart zijn vriend Groen tegen en deze, wetend dat Bart op visite bij Dirk op visite zou gaan, vraagt hem: ‘En hoe was het?’
‘Het is hem in zijn bol geslagen, hij heeft een heel groot huis, maar nog veel meer kapsones. Weet je’, zegt Bart met nadruk, ‘dat – ie geen Dirk meer heet? Hij noemt zich nu Menno’.

‘En Marie, zijn vrouw, hoe gaat het daarmee?’ informeert Groen.
‘Die’, en Bart trekt minachtend met zijn mond, ‘die heet nou TÉRRAS!’

——————————————————————–

IS DIT EEN GOED PLAN?

Voor de Tweede Wereldoorlog beweerde een Engelse econoom, Keynes genaamd, dat hij een deugdelijk middel had tegen de werkloosheid van de jaren dertig.

Wat had deze beroemde econoom bedacht? De overheid moest grote werken uitvoeren. Keynes beweerde dat door het uitvoeren van grote werken veel mensen werk zouden krijgen en geld verdienen. Met dat geld gingen ze dingen kopen, en daardoor hielpen ze weer nieuwe mensen aan het werk, en zo kwam de economie op gang.
Op de vraag hoe de overheid aan geld moest komen om die grote werken te bekostigen, gaf Keynes als antwoord dat men de geldpersen meer geld moesten laten drukken. Men liet de drukpersen zoveel geld drukken als nodig was om al die lonen te betalen. Dat plan van Keynes schijnt ook geholpen te hebben.

Hitler deed, hoewel hij waarschijnlijk nog nooit van Keynes gehoord had, exact hetzelfde in Duitsland en er heerste toen geen werkloosheid. In Amerika deed Roorevelt ook zoiets en de werkloosheid verminderde.

Tegenwoordig zeggen de economen dat je door het drukken van geld en het laten uitvoeren van grote projecten de werkloosheid niet kunt oplossen. Willen we de economie er weer bovenop helpen, dan moet er bezuinigd worden, minder loon uitbetaald worden en de regeringsuitgaven moeten worden teruggedrongen. En bezuinigd wordt er, nu en in de toekomst. Dagelijks worden veel mensen ontslagen en talloze bedrijven verkeren in staat van faillissement of zijn reeds failliet gegaan. We hebben momenteel in ons land meer dan 600.000 werklozen. De regering wil toch iets voor die mensen doen, maar erg daadkrachtig is deze regering niet, geloof ik.

Ik heb ook een plan, maar of het een uitvoerbaar plan is weet ik niet. Kijk, binnen 40jaar zijn de oliebronnen leeg en dan zijn de rapen gaar. Door mijn bedenksel zijn we tientallen jaren niet meer afhankelijk van olieproducerende landen. Ook hoeven we niet meer te vrezen met grote vreze voor een olieboycot. Eén verkeerd woord over Allah en we hebben zo’n boycot aan onze broek.

Dit heb ik bedacht: bouw een enorme fabriek, ergens in het midden van Nederland, en produceer op grote schaal elektrische auto’s. Een bedrijf waarin op uitgebreide schaal van alles wordt gefabriceerd dat gerelateerd is aan dat elektrische voertuig, zoals: oplaadstations, tappunten, elektromotoren, chassis en carrosserie, accu’s, enzovoorts. We verkopen deze milieuvriendelijke auto’s in eigen land en in het buitenland. We hoeven geen auto’s in te voeren. We maken ze immers zelf. Koop Nederlandse waar dan helpen we elkaar. Nederland krijgt – als we niet treuzelen – een behoorlijke voorsprong op andere landen, want geen land ter wereld maakt elektrische wagens, elektrische vrachtauto’s en elektrische bussen. Het moeten natuurlijk wel vervoermiddelen van topkwaliteit zijn.

Naast die kolossale fabriekshal bouwen we een fabrieksschool en op die school worden vakbekwame monteurs opgeleid. Door uitvoer van dit unieke product over de gehele wereld komt er veel geld in het laatje van de staatskas, denk ik. Ons landje gaat dan weer mee omhoog in de vaart der volkeren.

———————————————————————————————-
TOCH MAAR NIET

Een tijdje geleden berichtte ik over mijn plan om de staatskas te spekken. Ik stelde dat ons land met dit plan geld kan verdienen als slijk. Het idee behelst het bouwen van een grote fabriek die elektrische voertuigen produceert. Het verdiende geld kan geïnvesteerd worden in bijvoorbeeld grote projecten, waardoor veel mensen werk vinden en geld verdienen. Met dat geld kopen ze dingen en daardoor helpen ze weer nieuwe mensen aan een baan, en zo komt de economie op gang. Anderen profiteren daarvan. Pecunia non olet, heet dat.

Als het opzetten van die autofabriek niet lukt om wat voor reden dan ook, is er geen man overboord. Ik heb nog een ander plan: het verkopen van de Nachtwacht, geschilderd door Nederlands beroemdste kunstschilder Rembrandt van Rijn. Zo’n schilderij is buitengewoon veel geld waard. Rembrandt maakte zelfportretten, daarvan zijn er veel in het bezit van het Rijksmuseum. Enkele van die zelfportretten zouden we ook kunnen verkopen. Nederland heeft geldgebrek en geld is immers de boodschap! De crisis is dan snel verleden tijd door die verkoop van een stel Rembrandts.

Echter, er is een probleemtje. Mocht de verkoop van Rembrandts Nachtwacht en een paar van die zelfportretjes uitgevoerd worden, dan mag u met geen woord reppen dat dit denkbeeld van mij afkomstig is. Stel dat het kabinet mijn voorstel in deze moeilijke tijden met gejuich overneemt en ten uitvoer brengt, zal dat voorstel in den lande grote verontwaardiging wekken. Alle kranten zullen er maandenlang schande van spreken. Het kabinet wordt voorgesteld als een steletje cultuurbarbaren. En kan ik me nergens meer vertonen of ik moet me een ander alibi verschaffen.

Toch kan ik die verontwaardiging niet helemaal begrijpen. Het is op zichzelf niet zo slecht om als je geld nodig hebt een schilderij te verkopen. De werken van Rembrandt worden gekocht door een buitenlands museum of door een buitenlandse verzamelaar. Het is geen ramp als die schilderijen in een beroemd museum, bijvoorbeeld de Hermitage in Sint – Petersburg, komen te hangen. Dan kunnen miljoenen Russen die Nachtwacht ook eens zien. Er hangen in dat schitterende museum prachtige schilderijen , waaronder enkele Rembrandts. U moet daar beslst eens heen gaan.

Maar nu ik er nog eens over nadenk, vind ik het toch niet zo’n geslaagd plan. Rembrandt was tenslotte een Nederlandse schilder en het is altijd leuk als een Nederlandse schilder ook in Nederlandse musea vertegenwoordigd is.

——————————————————————–

ILLUSIE

Ik had het over Rembrandt in mijn vorige stukje, althans over het verkopen van de Nachtwacht. Wist u toen Rembrandt in 1631 zijn intrek nam in Amsterdam, er 115.000 mensen woonden? De stad barstte letterlijk uit haar oude wallen, er werd aan alle kanten gebouwd: nieuwe grachten, nieuwe straten, stegen en duizenden huizen. Een rijke stad, jawel: voor de rijken. Vierduizend mensen hadden een vermogen van duizend gulden of meer. Daarbij was een schatrijke groep van honderd die meer dan honderdduizend gulden bezat, en ene koopman Jacop Poppen die wel een half miljoen gulden bezat.

Maar ook in die tijd wist men belastingen te ontduiken of de overheid om de tuin te leiden. Er waren dus in werkelijkheid niet vier, maar wellicht tienduizend mensen die meer dan duizend gulden bezaten. Zelfs dan nog bleven er tienduizenden over die balanceerden op de rand van armoede: vandaag wat geld voor brood en bier, morgen bedelen.

En dat betekende voor velen: uitvaren met een schip naar Oost, Noord of West met de kans van één op acht om terug te komen van zo’n dikwijls jarenlange reis. En was degene die niet verdronken was, gesneuveld was, scheurbuik of syfilus had opgelopen, na terugkomst rijk? De reder-koopman of de schipper-koopman waren de mannen die de winst opstreken. De arme sloebers verdrongen zich dan opnieuw rondom de haven om voor een grijpstuiver weer voor maanden of jaren in te nauwe, stinkende ruimen mee te mogen varen.

Er vormde zich in die tijd al snel een stads-aristocratie, waarin de notabelen elkaar veelvuldig de bal toespeelden. Dat Amsterdamse patriciaat had de stad doorgaans goed bestuurd, maar het was verre van democratisch. Dat bestuur had de zorg voor de dikwijls vele honderden wezen en bejaarden. Het stadsbestuur richtte er grote huizen voor op, die door regenten werden bestuurd. Echter de wezen en bedeelden dienden in ootmoedige dankbaarheid steeds weer hun goedgeefse regenten te prijzen. Er heerste een strenge, van boven af opgelegde orde, al werd die in tijden van honger een enkele maal door opstootjes verstoord.

Op de nachtwacht staan zeventien schutters afgebeeld. Oorspronkelijk waren er negentien portretten op het schilderij te zien. In de achttiende werd links een strook met twee portretten van het schilderij weggesneden. Die schutters betaalden Rembrandt elk zo’n honderd gulden. De een wat meer, de ander wat minder, al naar gelang de plaats op het schuttersstuk. Rembrandt was een steenrijk man, maar hij had een foute zoon en Rembrandt kon niet goed met geld omgaan. Op zijn oude dag was hij alles kwijt wat hij bezat.

Ik zou ook wel een mooi schilderij kunnen maken om het dan voor heel veel geld te verkopen. Ik zou dan in Portugal gaan wonen in een gerieflijk, leuk gelegen huis. Bij dat huis laat ik dan een zwembad in de tuin aanleggen. Ik huur een tuinman om het gras te maaien en zo.

Er is echter een bezwaar: ik ben niet zo’n goede schilder.

—————————————————————————————————-

VRAAG

In 2008 brak de kredietcrisis uit. Dat had voor de rijksten grote gevolgen. Het aantal mijardairs vooral in Rusland en India daalde dramatisch. Voor de meeste rijken geldt dat een groot deel van hun bezit een aanmerkelijk belang betreft in één of meer bedrijven. Er worden jaarlijks lijsten van de rijksten gemaakt door het zakenblad Forbes en de Quote 500. Daarin kunt u lezen dat de rijkste man van de wereld een geschat vermogen bezit van meer dan 52 miljard dollar.

Toen een kennis mij dat vertelde, dacht ik: als ik miljardair zou zijn, wat zou ik dan doen? Een paar miljard is niet niks. Daar kun je een veer voor wegblazen. Ik zou dat mooi gelegen huis met zwembad in Portugal kunnen betalen. Bij het kopen van een gerieflijk huis hoef ik niet op een paar centen te kijken, dus dat luxe ingerichte huis met zwembad is gauw gevonden. Ik kan een tuinman betalen om het gazon te maaien. Een nadeel is wel dat ik ver weg woon van vrienden en bekenden, maar daar staat tegenover dat ik net zo vaak heen en weer kan vliegen als ik wil. Eventueel kan ik mijn huis in Alkmaar aanhouden. Trouwens ik kan mijn vrienden en bekenden naar Portugal laten komen zo vaak ze maar willen. Ze kunnen in het gastenverblijf van die grote woning verblijven. Ze kunnen gebruik maken van het zwembad. Als het niet te koud weer is. Overigens, ik heb geld genoeg om dat zwembad te laten verwarmen.

Ik zit natuurlijk met de taal. Portugees is lastig om te leren, dat verstaat iedereen daar. In een paar maanden kan ik misschien een Portugese krant lezen, en door veel televisie kijken leer ik het ook verstaan. Wat eten ze in Portugal? Veel vis meen ik, en daar ben ik niet zo gek op. Maar aan eten kan ik wennen. Met een miljoen per jaar kan ik een kok inhuren. Mijn abonnementen op Nederlandse kranten en tijdschriften kan ik behouden, want Bruin kan dat trekken. Dus ik kan daar in dat warme Portugal rustig gaan wonen.

Er is echter maar één bezwaar: ik ben geen miljardair. Ik blijf daarom maar in Alkmaar.

————————————————————————————————–

FOKKER

In dit stukje ga ik u iets vertellen over ene Fokker. Niet met ck, maar met dubbel k .

In het Bargoens betekende fokker in de 19de eeuw zwerver of bedelaar en dat is precies het tegenovergestelde van de originele betekenis. Het was ooit een gangbaar begrip voor rijkaard. Het werd ook gespeld als fokkert en fockaart. Het zijn verbasteringen van de eigennaam Fugger. Deze vestigde zich in begin van de 16de eeuw in het Beierse stadje Augsburg. Daar zette hij een bloeiende bombazijnindusrtie op poten.

Bombazijn is een sterk weefsel van katoen. Tegenwoordig wordt het als opvulling voor kleding gebruikt. Andere lexicale betekenissen zijn: Bombarie, bombast(isch) en bombarieschopper. Vandaar ook: gezwollen stijl, hoogdravende, maar zinledige taal of stijl, holle klanken. Maar dit terzijde.

Zonen en broers brachten het bedrijf steeds verder tot bloei. Het familiebedrijf groeide uit tot een financiële grootmacht. Het vermogen steeg rond 1527 tot – omgerekend – 5701500 euro, een gigantisch bedrag in die tijd. Van dat bedrag kon de familie een veer wegblazen. Onder leiding van Jacob Fugger werd het bedrijf een ware financïele grootmacht. Hij bezat letterlijk kisten barstens vol geld. Er ging toen een verhaal de ronde dat deze wever de keizerlijke schatten met zijn eigen geld met gemak kon opkopen. De macht van de familie was in die tijd zo groot dat de Duitsers nu nog spreken van ‘Das Zeitalter der Fugger.’

Nu zult u denken dat die lui erg gelukkig waren met hun centen. Maar zoals vaak komt aan alles een eind. De terugval kwam rond 1650: Er ontstond onenigheid in de familie, de godsdienstoorlogen waren slecht voor de zaken en de concurrentie werd moordend. De familie behield nog wel een behoorlijk kapitaal, maar stonden niet meer model als rijke stinkerds.

Ik ben niet rijk, zodat ik die villa in Portugal nooit zal kunnen kopen. Gelukkig ben ik gezond van lijf en leden en dat is meer waard dan 5701500 euro’s van die Fuggers.

——————————————————————–
MIJN OUDE WIJZE VADER

U weet dat er het afgelopen jaar een lichte deining is ontstaan over de kredietcrisis. De één wordt harder getroffen dan de ander. Maar is het nu echt allemaal kommer en kwel? Ik herinner me een verhaal dat mijn vader vertelde over de moeilijke jaren van voor de oorlog. Die tijd was wellicht moeilijker dan de hedendaagse, zo beweerde hij. Ik denk dat mijn vader hier wel een punt heeft.

Ik constateer dat er tegenwoordig een jankcultuur heerst. Als je kind moeilijk leert, dan is het dyslectisch en als het een druk en vervelend rot kind is dan heeft dat overbewegelijke en moeilijk lerende kind een teveel aan antidiuretische hormonen. Voor al het falen en iets bewust niet willen, hebben ‘gogen’ de laatste jaren eufemistische termen bedacht en de jeugd maakt daar dankbaar misbruik van. Zonder ritalin hoor je er niet bij. Men toonde vroeger meer karakter: lukte iets niet dan zette je door. Als de schoolresultaten slecht waren, kreeg je een preek en een schop onder je kont en je ging dan vlijtig leren.

Mijn vaststelling is eveneens dat Nederlanders snel zeuren en klagen over van alles en nog wat. Had je toentertijd een probleem dan at je een appeltje en sloeg je met je hoofd tegen de muur en het probleem was over. Kwam je niet van dat probleem af, dan vroeg je mijnheer pastoor om raad.

In mijn vaders jonge jaren bestond huurschuld niet, want als je geen huur betaalde werd je uit je huis gezet. Gas en licht was ook geen probleem. Dat werkte alleen als je een gulden in de lichtmeter of een muntje in de gasmeter gooide. Kleding was ook eenvoudig, want er was geen textiel te koop. En eten was er zo weinig, dat mensen met zeer weinig geld dat eten best konden betalen.

Het probleem heden ten dage is, bij wijze van spreken, dat ouders niet weten hoe ze de nieuwe mountainbike van hun kind moeten betalen .Bij mijn vader was dat geen probleem, omdat zo’n aankoop zo ver boven het budget lag, dat het in zijn leven helemaal geen rol speelde. Hij voelde het gebrek aan een peperdure fiets evenmin als u en ik aan een Morgan sportauto.

Da tragiek van velen is, dat zij – ik noem maar wat – een kostbare Philips Ambilight LCD – televisie kopen en daarvoor dure leningen afsluiten. Ik denk dat ‘de kunst van het iets nalaten’ tot de verleden tijd behoort. Mijn vader leerde mij: jongen wees bescheiden in je eigen kleine wereldje.

———————————————————————————————-

EEN BEVOORRECHTE GROEP

Nou vooruit, enkele grappen en grollen over ambtenaren als inleiding:

- Een ambtenaar kijkt thuis niet naar buiten, omdat hij anders op het werk niet meer weet wat te doen.
- Wat heeft u tegen ambtenaren? Die mensen doen toch niets.
-De ambtenaren, die ’s ochtends te laat komen, worden verzocht rechts te houden om de mensen te laten passeren die ’s avonds te vroeg vertrekken.
- Voor ambtenaren is maandag de zwaarste dag van de week, want dan moeten ze twee blaadjes van de kalender scheuren.
- Chef tegen ambtenaar: ‘Ik heb nooit iemand zo lui geweten. Is er iets waar je vlug in bent?’ – ‘Ja, ik ben vlug moe’.
- Waarom gebruiken ambtenaren geen papieren zakdoekjes? Omdat er TEMPO op staat.
- Wat zegt de ene ambtenaar tegen de andere als ze elkaar op de gang tegenkomen? ‘Kan jij ook al niet slapen?’

Ambtenaren klagen weleens over hun salaris. Zo vinden zij dat mensen in het bedrijfsleven bevoorrecht zijn wat betreft hun lonen. Die ambtenaren vinden dat hun salaris achterloopt in vergelijking met die van het bedrijfsleven. Maar of dat zo is, betwijfel ik. Liggen de salarissen bij het bedrijfsleven werkelijk hoger? Verdient een chauffeur die een fabrieksdirecteur rondrijdt meer dan een chauffeur die een burgemeester rondrijdt. Heeft een baliemedewerker in het stadhuis een hoger salaris dan een baliemedewerker in een bankkantoor? Ontvangt de bode van het stadhuis meer of minder loon dan een postbode van bijvoorbeeld de TNT?

Ik geloof dat niet. Zelfs al verdienen overheidsdienaren minder, dan nog horen ze economsch tot een bevoorrechte groep. Ze werken bij een firma die nooit failliet kan gaan. Een bouwvakker weet nooit helemaal zeker of hij over een paar jaar op straat zal staan vanwege het faillssement van zijn aanemingsbedrijf. Een pianoverkoper kan ontslagen worden, omdat er door de recessie te weinig piano’s verkocht worden. Zo kan ik vele voorbeelden geven. Kijkt u maar om u heen.

Een onderwijzer hoeft daar niet bang voor te zijn. Een politieman heeft bijwijze van spreken het eeuwige leven. Momenteel bezuinigt de regering op politie of brandweer of onderwijs, maar de meeste politeagenten, brandweerlieden en onderwijzers zullen hun baan houden. Want hoe slecht het economisch ook gaat, deze mensen zijn altijd nodig. Terwijl als het goed slecht gaat in de piano – of autohandel, dan worden alle mensen die daar werken met ontslag bedreigt.

Daarom moeten die ambtenaren niet altijd klagen en zeuren, vind ik.
Ik wens u wederom al het goede, of u nu wel of niet bij de overheid werkt.

——————————————————————–

KLOPT DIT?  

De laatste tijd is men van mening – wellicht u ook – dat er te veel ambtenaren zijn. Je hoort niemand zeggen dat er een tekort aan ambtenaren is. Mijn vaststelling is dat er inderdaad velen hun brood verdienen bij het rijk. En de ambtenarij kent vele afdelingen en die afdelingen groeien. Vandaar dat er steeds meer ambtenaren nodig zijn. Maar is dat wel zo?

De Engelse historicus Parkinson beweerde lang geleden dat ambtenaren of kantoorlieden in het bedrijfsleven liever met ondergeschikten werken dan met rivalen. Hij beweerde ook dat zij elkaar aan het werk houden. Een ambtenaar heeft daardoor veel werklast. Hij dreigt overspannen te raken.

Nu zult u tegenwerken dat ik in de column ‘Een bevoorrechte groep’ suggereerde dat ambtenaren een luizenbaantje hebben; dat zij de hele dag weinig tot niets uitvoeren. En dat zij veel klagen en zeuren. Bijvoorbeeld over de toenemende werkdruk. Iemand die het druk heeft zal in een paar minuten een brief schrijven, terwijl iemand met niets om handen een paar uur nodig heeft. Parkinson concludeerde : werk breidt zich uit tot het de tijd die beschikbaar is voor voltooing vult. Heeft een ambtenaar druk bezette dagen, dan zal hij om assistentie vragen, maar zal niet om een gelijkwaardige medewerker vragen. Hij zal een ondergeschikte collega verlangen.

Parkinson gaf als voorbeeld dat ambtenaar A (of kantoorbediende in een bebrijf) als gevolg van die werkdruk om twee ondergeschikten vraagt, die hem gaan helpen zijn werkzaamheden te verlichten. Hij vraagt met klem om twéé ondergeschikten C en D, omdat één ondergeschikte medewerker gelijkwaardig wordt aan A . Indien alleen C aangesteld zou worden, dan gaat C klagen over zijn werklast en krijgt hij op zijn beurt twee ondergeschikten, E en F. Dan zouden zeven man hetzelfde werk doen dat kortgeleden één ambtenaar deed.

Maar die A doet niet minder, integendeel. Hij houdt de hele tijd zijn ondergeschikten in de gaten, controleert hun werk, rapporteert en coördineert. Carrière heeft zo zijn prijs.
Het personeelsbestand groeit, zonder dat er werk bijkomt. En al dat personeel moet betaald worden. Het salaris van de overheidsbediende wordt betaald door middel van belastingverhogingen. Het loon van de bedrijfsmedewerker wordt natuurlijk doorberekend. U en ik worden daarvan financieel de dupe. Leuk is anders.

——————————————————————–
NOG EEN VRAAG

U kent het verschijnsel: mensen die een werkloosheidsuitkering ontvangen, maar werken en daarvoor worden betaald. Het schijnt veel voor te komen. Economisch is het geen ramp, want hoe meer er gewerkt wordt, hoe beter. De zwartwerker zal zijn geld uitgeven aan allerlei goederen en daar profiteren anderen van. Maar politiek en moreel is het een probleem. Een werkloze die keurig zijn bijverdienste opgeeft zou willen dat zijn collega’s dat ook deden. Veel mensen die zich aan regels houden voelen zich pas lekker als de overtreders van die regels worden gestraft. Ook mijn belastingcenten zie ik liever niet terecht komen bij mensen die daar geen recht op hebben.

Als zo’n fraudeur betrapt wordt, dan heeft hij een probleem. Hoe kan de bijstandsfraudeur ontkennen dat de bijstandsuitkering die hij vóór die betrapping ontving, niet frauduleus ontvangen werd. In ons land moet justitie bewijzen dat iemand schuldig is, en dat iedereen gacht wordt onschuldig te zijn tot dat zijn schuld bewezen is. Deze omgekeerde bewijslast komt regelmatig voor.

Als er bij u is ingebroken en de dader wordt een paar straten verderop gepakt met uw dure laptop dan wordt hij wegens diefstal veroordeeld, zélfs als hij bij hoog en laag beweert dat hij die laptop op straat heeft gevonden. Daar trekt justitie zich niets van aan, tenzij de verdachte kan aantonen dat hij die draagbare computer gevonden heeft. Een diefstal kan immers nooit echt helemaal sluitend bewezen worden. Zo kan een laptopdief met getuigen komen die hem die laptop van de straat hebben zien oprapen.

Een bijstandstrekker kan nooit bewijzen dat hij afgelopen jaren niet zwart gewerkt heeft, of hij moet met een doktersverklaring komen dat hij al die tijd in een coma heeft gelegen.

Mijn vraag is hoe het nu moet met de grote fraudeurs. Bekend zijn de vele gevallen uit het bedrijfsleven of de politiek. Die grote fraudeurs declaren dubbel en ontvangen vele tonnen . Als het één dubbele declaratie betreft, wordt er dan ook aangenomen dat deze lieden bij al hun andere declaraties met dubbel krijt hebben geschreven?

——————————————————————–

IS HET DAAR NOU BETER GEWORDEN?

Toen de communisten in Rusland aan het bewind waren, beweerden zij dat een land met dit systeem beter af was dan een land dat geregeerd werd door kapitalisten. Zo kende het communisme onder andere gratis onderwijs en gratis medische verzorging. Werkloosheid was er niet en misdaad kwam nauwelijks voor. Drugsverslaving bestond niet onder het socialisme. Geproduceerd werd er niet om winst te maken, maar om produkten te leveren die men nodig had.

In werkelijkheid ging het heel anders. Althans dat is mijn constatering.

Kort na de val van het communisme was ik met vrienden in Moskou en vernam ik de minder mooie kanten van dat nog na smeulende communistische systeem. Zo vertelde een Russische tolk dat als een Rus een Trabantje wilde kopen, hij dertien jaar op dat pruttelende autootje moest wachten.

We liepen eens over de Arbat, de Kalverstraat van Moskou. Het was een benauwde Moskouse avond. Wat mij opviel was dat die Russen zo chagrijnig keken. We glimlachten naar iedereen, maar ze beantwoordden onze glimlach niet. Pas na de tweede of derde keer dat ik in Rusland was, drong de reden tot mij door: ik was een buitenlander. Ik droeg allesbehalve de laatste mode, maar Russen hebben een fijn ontwikkeld gevoel voor wie buitenlander is en wie van eigen bodem. Door het gezeul met zware tassen vol goedkope levensmiddelen, dag in, dag uit, lopend over grote afstanden, door weer en wind, metro in, metro uit, trappen op en af, zijn de Russische schouders naar voren gaan staan. En door het voortdurend gebrek aan fruit, groente en huidcrêmes is hun gezichtshuid droog, poreus en vaal. Buitenlanders herkennen ze daarom direct, zelfs in een banja, waar elke saunabezoeker toch naakt rondloopt.

We slenterden dus door de Arbat. Aan weerszijden van de straat verkochten kunstenaars hun schilderijen en tekenden portretten van voorbijgangers die voor hen op kleine stoeltjes poseerden. Muzikanten met ontbloot bovenlijf speelden bij de zijstraten. Grote drommen mensen liepen in beide richtingen en verdrongen zich rond al die kunstenaars. Toch vonden we alles kleurloos, armoedig en grijs: op de achtergrond oude verveloze gebouwen met hun afbrokkelende stucwerk, vrouwen met afgetrapte schoenen, grauwe gezichten bij de mannen. Overal sombere ogen. Op straat glimlachte ik daarom niet meer naar voorbijgangers.

Of het beter en leuker is geworden voor de Russische burgers tegenwoordig, betwijfel ik. Poetin regeert het huidige Rusland met harde hand. Dictatuur en gigantische corruptie zijn tegenwoordig onverbrekelijk met elkaar verbonden. Wat gaat er in de toekomst gebeuren met dat grote land?

———————————————————————————————-

KORT LONTJE

U moet deze column lezen zoals het is bedoeld: met een korreltje zout en als niet meer dan een stijloefening.

Fatsoenlijke autobestuurders zijn vaak getroffen door de onbeschoftheid van sommige medeweggebruikers. Die chauffeurs met het korte lontje menen anderen te moeten gebaren hoe aan het verkeer deel te nemen of wat zij in hun ogen fout deden. Dat doen zij gewoonlijk door veelvuldig te claxonneren of door middel van wilde armbewegingen. Meestal steken deze hufterige berijders hun arm door het geopende raam om nog meer kracht te zetten over hun onvrede. Maar het kunnen ook goedbedoelde aanwijzigingen zijn. Als het u is overkomen of binnenkort overkomt, kan zo’n uitgestoken arm echter in werkelijkheid volgens mij ook het volgende kunnen betekenen. Dus laat uzelf niet te snel opjutten, want de automobilist:

1) tikt de as van zijn sigaret af,
2) geeft aan dat hij linksaf wil slaan,
3) waarschuwt een kwajongen om geen sneeuwbal te gooien,
4) geeft aan dat hij rechts af wil slaan,
5) maakt zijn vrouw opmerkzaam op het fraaie uitzicht,
6) onderzoekt of het gaat regenen,
7) rekt zich geeuwend uit,
8) vraagt zijn vrouw of ze huisdeur heeft afgesloten,
9) groet een kennis,
10) zit te vechten tegen beginnende kramp,
11) gooit een lucifer weg,
12) maakt een woedend gebaar dat hij zich in de weg heeft vergist,
12) is kwaad omdat u inderdaad een levensbedreigende fout heeft gemaakt.

———————————————————————————————-

WAT WAS EEN GULDEN?

Dat woord stamt van de onder Karel V in 1521 ingevoerde munt ter waarde van 20 stuivers af. Voordat ik dieper in ga op dit onderwerp, zal ik vertellen waar het woord stuiver vandaan komt. Deze muntnaam schijnt ontleend te zijn aan het werkwoord stuiven. De munt vertoonde oorspronkelijk vuurijzers, waarvan stuivende vonken afspringen, Een vuurijzer is een ijzeren gestel om daarop een vuur aan te maken.

 De gulden werd aanvankelijk in goud geslagen. Gulthina betekent  ‘van goud’. Dat woord ‘gulden’ is wat  verwarrend. Het was maar een betrekkelijk korte tijd een gouden munt, waarop de beeltenis van de keizer in harnas voorkwam. De zogenaamde Carolusgulden. Dezelfde naam werd later gebruikt voor een zilveren die in 1540 voor het eerst werd geslagen en die dezelfde waarde had als de goudgulden. Die zilveren munt was bijna achtmaal zo zwaar en droeg als beeldenaar het borstbeeld van Karel V.

Hoeveel andere muntsoorten uit diverse streken er ook nog lange tijd in omloop bleven – de kortweg ‘gulden’ genoemde, in 20 stuivers verdeelde munt van Karel V werd de verplichte rekeneenheid en ze zou dat tot 2000 blijven. In dat jaar werd de euro ingevoerd. In 1642 was de Carolusgulden buiten gebruik geraakt. Politiek en de daarmee samenhangende veranderingen in de economie waren er de oorzaak van, dat er een wirwar aan munten in omloop was, die in vele Nederlandse en buitenlandse steden werden geslagen. Voor de Hollanden had Dordrecht wel het beroemdste munthuis.

Dukaten, rijksdaalders, leeuwendaalders, souvereinen, matten, gouden rijders, florijnen uit allerlei gebied overstroomden de markt. Maar als rekeneenheid bleef, op papier, die niet meer bestaande gulden van 20 stuivers bestaan. Pas in 1680 werden er door de Republiek der Verenigde Nederlanden nieuwe zilveren guldens aangemaakt.

Een grove schatting leert, dat de gulden toen ongeveer 25 maal zoveel koopkracht had als nu. Hadden wij die gulden nog maar.

———————————————————————————————-

CRISISTIJD

Amsterdam: Grote stad
Gebouwd op houten palen
Aanleg dure metro
Verzakkende huizen
Mega kantorenbouw
Miljoen mensen
De grachten
Monumentale panden
Rijksmuseum
Multi culti
De pleinen
Vliegende voorstellingen
Open gebroken straten… enzovoorts, enzovoorts

-heeft de uitbetaling van de gemeentesalarissen opgeschort.

Ik hoop dat u uw verdiende loon wél  op tijd ontvangt.

———————————————————————————————-

WIE IS DIE MAN?

Twee stukjes schreef ik over Rembrandt, ook kwam de Nachtwacht ter sprake. Op dat schuttersstuk staat een belangrijk persoon afgebeeld. Wie was deze man?

Net als de andere gilden waren schuttersgilden ontstaan in de middeleeuwen. Lid zijn van zo’n gilde was een kwestie van aanzien en geld. In de loop van de tijd werd de landverdedigingstaak van de schutters steeds beperkter. Naarmate de werkelijke functie van de schutterijen meer en meer terug liep, werd het feestelijk vertoon, de ’show’, belangrijker. Om met hun glorie te pronken lieten zij hun vendels sinds de zestiende eeuw afbeelden in groepsportretten, die dan werden opgehangen in verenigingsgebouwen.

 
 Zo hielden de kloveniersschutters in Amsterdam sinds 1522 hun feestelijke bijeenkomsten in een toren aan de Amstel. Groot was die toren niet. Daarom besloot men naast de toren een uitbreiding te bouwen. In of kort voor 1638 was de nieuwe aanbouw voltooid. De grote zaal van dat niuwe gebouw werd gedecoreerd met schuttersstukken. Een van die schilderijen was de nachtwacht van Rembrandt. Op dat schuttersstuk is het vendel van Frans Banning Cocq te bewonderen.
Cocq met  C – o -  c -  q . Wie was die man?

Frans Banning Cocq (1605 – 1655) was er een voorbeeld van hoe families in de 16de en 17de eeuw tot grote rijkdom en aanzien konden komen.  Zijn vader was als jongen op een schoen en een slof naar Amsterdam gekomen. Hij werd door een apotheker in huis genomen. Later opende hij een apothekerswinkel, trouwde met een dochter uit de aanzienlijke familie Banning. Hun zoon Frans kreeg de achternamen van vader en moeder. Hij ging rechten studeren en werd dr. in de rechten. Frans trouwde een dochter van de Amsterdamse burgemeester Overlander. Hij erfde een een mooi huis in Ilpendam. Hij maakte carrière in het stadsbestuur en werd zelf ook burgemeester van Amsterdam. Hij werd luitenant bij de Kloveniersschutters en klom op tot kapitein.

Dat hij een belangrijk en welgesteld man was, kan men zien op het schilderij de Nachtwacht.  Rembrandt  heeft het optrekken van wacht  uitgebeeld. Als u naar het schilderij kijkt ziet u dat Kapitein Banning Cocq het bevel tot optrekken geeft, de luitenant naast hem ontvangt het en de  sergeant geeft het bevel door.

De leden tonen hun dure kleding en kostbare wapens. Ze betaalden veel geld voor hun portret. Veel van die schutters hadden dat geld niet en we weten dus niet hoe zij eruit zagen.

Het lijkt mij leuk om  door een beroemde kunstschilder geportretteerd te  worden, maar ik heb het geld niet.

—————————————————————————————————————

STOEPEN – VAN HANDEL EN WANDEL

Er is veel veranderd en verdwenen de afgelopen jaren. Of er veel is verbeterd, betwijfel ik. Wat ik wel vind is het verdwenen zijn van een verschijnsel dat ik ’schilderachtig’ zou willen noemen. Tegenwoordig is veel van alles killer, afstandelijker, zakelijker, sneller en harder geworden. Dat is, zo u wilt, een verarming geworden.

Zo ontstond rond1920 in Alkmaar bij verschillende oudheidminnende figuren enige beroering. De reden hiervoor was de voortschreidende modernisering, vooral van  de Langestraat. De belangrijkste winkelstraat, waar de asfaltering in zicht kwam. Tengevolge hiervan zouden de stoepen moeten verdwijnen, een aangelegenheid, die tal van pennen en monden in beweging bracht. Ik zal u uitleggen waarom dat asfalteren zoveel stof deed opwaaien.

De stoep was de plaats van verpozing en recreatie voor de bewoners van het huis. Op mooie zomeravonden zaten de mensen daar op stoelen en banken uit te rusten van alledag. Tevens was het de speelplaats van de kinderen. De stoepen waren er niet alleen voor het vermaak van de jeugd of het gemak van de bewoners, want op marktdagen waren het uitstalplaatsen van de winkeliers.

De manufacturiers profiteerden daar in hoge mate van. De rollen rood en blauw baai, molton en flanel stonden er hoog opgetast naast de bakken, met glas gedekt, met linten, fournituren en vooral ook zakdoeken in diverse kleuren en opdrukken. Daarnaast waren er bijvoorbeeld de handelaren in blikken of koperen gebruiksvoorwerpen.   Ook melkkannen werden aan de straat tentoongesteld.

Boven de stoepen van de slagers hingen aan rode jukken, met zwartgeschilderde of koperen haken, halve varkens, stukken koevlees, zijden spek enzovoort. De bakkers stalden brood, kruidkoeken en andere lekkernijen uit. De visboer, die eveneens zijn waren op de stoep onder een luifel uitstalde: vaatjes met geweekte stokvis en zoute vis. Ook kon men hoge zijden petten, boerenpetten zien uitgestald. En hoeden die aan kapstokken hingen. Met een stokje kon men een hoed afwippen om deze te passen.  Zo had een ieder zijn eigen nerinkje. Er heerste een gezellige drukte en nijverheid langs en op die stoepen.

Door het toenemende verkeer moesten de stoepen verdwijnen en door de grote warenhuizen én de drukke zaterdagmiddagmarkt zijn de uitstallingen op de stoepen overbodig geworden. Daarmee is dat alles historie geworden en is veel schilderachtigs in Alkmaars binnenstad verloren gegaan.

Echter Alkmaar heeft nog steeds een mooie, historische binnenstad. Op de grachten en in verschillende straten zijn nog van die stoepen te zien. Gaat u er maar eens kijken en waan uzelf honderd jaar terug. Ik beveel u dat van harte aan.

One Response to “Columns”

  1. Wim van Kesteren says:

    Geinige stukkies, Kees. ‘t Is dat ik nog werk, anders ging ik serieus werk maken van mìjn memoires.
    Hg,
    Wim

Leave a Reply